Mary Schoonheyt
Voor solide bouwsels van de rijksoverheid maakte ze in opdracht passende kunstwerken. Haar vrije werk kenmerkt zich onder andere door huizen zonder fundering. Een groter contrast in de kunst van Mary Schoonheyt is niet denkbaar. Op 17 september 2011, op haar 73ste verjaardag, overleed ze in haar woonplaats Amsterdam. Elf jaar na dato geven wij haar werk een postuum podium en een eerbetoon aan een bijzonder kunstenaar.
Bezield kunstenaar
Mary Schoonheyt (Batavia, 17 september 1938) wordt gekenschetst als een sterke vrouw, humorvol, heel eigenzinnig en een bezield kunstenaar. Bij Mary geen impulsieve of intuïtieve werken, maar nauwkeurig van tevoren uitgedachte lijnen, kleurovergangen en opbouw van lagen. Over elk detail werd nagedacht. De uitvoering daarvan viel niet altijd mee. Mary heeft daar eens over gezegd: ‘Er is tijdens het schilderen een voortdurende spanning tussen het bewaren van een heldere vorm en het verdwijnen of aantasten van die vorm, waardoor een zekere raadselachtige sfeer kan ontstaan’.
Huizen
En die zien we in haar kunst. Huizen als symbool van geborgenheid en veiligheid. Tegelijkertijd was dat een illusie, ontdekte ze al vroeg; in haar jeugd heeft ze nooit een echt huis gehad. Ze bracht haar kindertijd door in een Jappenkamp samen met haar moeder en haar bedje was een koffer.
Rode draad in het werk van Mary Schoonheyt
Het thema veiligheid, beschutting, geborgenheid en vooral de illusie daarvan; de ontheemding is een rode draad in Mary’s werk. Ze beschrijft het zelf in ‘De ziel van het huis’, een publicatie naar aanleiding van de tentoonstelling ‘Mia Casa è tua Casa’, in Architectuurcentrum Rondeel, in 2001. Mary vertelt over een droom, waarin ze een duizendjarige boom was. In die boom zweven kleurige figuurtjes tussen de takken. Het blijken kleine gebouwtjes, allemaal verschillend qua exterieur en interieur, die ze bezoekt en haar verschillende gevoelens bezorgen. ‘Waarschijnlijk door de hoogte, de afstand tot de aarde en de andere gebouwtjes, ontstond een bijzonder gevoel van onthecht zijn. Hoewel ik wist dat de vorm van de oude boom eeuwig bestond, bleek ik tegelijkertijd, maar wel afwisselend, in de verschillende gebouwtjes een tijdelijk bestaan te leiden. In mijn droom was de oude boom een metafoor voor de eeuwigheid en waren de rondzwevende huisjes de tijdelijke verschijningsvormen. En ik was het allemaal zelf.’









